| redactioneel
inhoud
Sati Dielemans
Jan Hagel
Jelleke Nekkers
roop
Frieda Snel
Margreet Spoelstra |
Jelleke
Nekkers
Het huis hiernaast
Het huis hiernaast heeft nieuwe bewoners. Hoewel ik klein van stuk ben,
heb ik goed kunnen zien hoe ze hun intrek namen. Gezeten op een keukentrapje
zag ik van uit het raam in mijn werkkamer hoe ze uit de op de stoep geparkeerde,
gehuurde verhuisauto hun huisraad naar binnen sjouwden. Een vreemd allegaartje,
zeker van de rommelmarkt. Schoongemaakt hebben ze ook al niet.
Het gezin van de nieuwe buren bestaat uit een vader, een moeder, twee
jongens en een klein meisje. Hoewel de meubels en de rest van het interieur
er erg slordig en smerig uitziet, ziet de familie er piekfijn uit. De vader
netjes in pak, de moeder met een lange rok en lage hakschoentjes. De twee
zoons zijn erg opvallend, vooral omdat ze erg veel op elkaar lijken, tweelingen
misschien? Hun kleding is doorsnee, voor jongens van vijftien in ieder
geval. Het dochtertje is een gewoon meisje van een jaar of negen. Ze ziet
er erg lief uit.
Vanaf het eerste moment dat de buren naast ons kwamen wonen vind ik
ze al erg intrigerend. Daar zijn twee redenen voor. De eerste is dat hun
familienaam "Drieling" is, terwijl er zeker geen drieling in deze familie
zit. Maar misschien waren er eerst drie broers en is er een overleden,
of weggelopen van huis of zo, dat kan natuurlijk. Of misschien vonden de
ouders het niet leuk om een drieling te hebben en hebben ze een van de
drie jongens in een klein meisje veranderd met hun magische krachten.
Dit laatste lijkt mij op dit moment, zo'n zes maanden na hun intrek,
het waarschijnlijkst. Pa Drieling heeft namelijk als hij een jas draagt,
altijd een lange zwarte jas aan van fleece-stof, zo'n echte tovenaarsjas,
heel erg creepy. Daarnaast heeft hij lange vergeelde nagels, een lange
zwarte baard (ik denk geverfd) en zwarte doorlopende wenkbrauwen. Als hij
lacht dan lacht hij nooit vriendelijk maar gemeen. Hij lacht maar zelden.
Ma Drieling zie ik eigenlijk nooit, misschien is zij wel opgesloten door
Pa.
De andere reden dat de familie me zo boeit is dat bij ieder lid aan
hun gezicht te zien is hoe ze heten. Zo heet de vader Jan, en de moeder
Chantal. De jongens heten Pierre en Paulo. Het meisje Patricia.
Ik denk dat het meisje oorspronkelijk Patrick heette, in de eerste
plaats omdat dat een jongensnaam is en ze is immers van oorsprong een jongen,
en omdat dat ik de laatste paar letters van haar naam niet kan lezen, het
lijkt wel alsof er letters doorelkaar zijn gedrukt. Verder proberen Pa
en z'n zoons haar altijd veel aandacht te geven, alsof ze iets goed te
maken hebben. Wat moeder doet weet ik niet, want haar zie ik nooit. Patricia
ziet er ook altijd een beetje verlegen, weggedrukt uit. Als of er iets
mis is met haar.
"Wat een vreemde buren hebben we toch, vind je ook niet?", vraagt Mevrouw
Drieling aan haar man.
"Ja, ach wat moet ik zeggen, we kennen ze niet goed, laten we maar
zeggen niet, en het zijn de enige buren die we hebben, dus kunnen we ze
misschien maar beter te vriend houden. Wie weet komen ze nog eens van pas."
"Misschien wel, maar ik moet toch even kwijt dat ik het buurmeisje
altijd vreemd vind kijken."
"Ik stoor me er niet aan hoor, wat wij in dit huis doen gaat haar misschien
niets aan, maar ze zal ook vast niet alles te weten komen. Ik bedoel eigenlijk
te zeggen dat ze nog een puber is en je weet toch dat meisjes in de puberteit
erg nieuwsgierig zijn", zegt Meneer Drieling met ongeïnteresseerde
klank, en hij leest verder.
Toen ik voor het eerst dit huis betrok zag ik al meteen om het uur dat
meisje langs ons huis slenteren, altijd kijkt ze naar binnen. Nou hou ik
er niet van als mensen me bespieden, dus als ik haar de deur uit hoor ?
of zie ? komen ga ik meestal maar even naar de keuken of de wc. Ik kan
haar dan nog wel zien door het keuken- of wc-raampje, maar zij mij niet.
Als ze naar binnen kijkt heeft ze altijd zo'n blik in haar ogen van "Ja,
ik heb jullie wel door!", vreselijk. Misschien weet ze wel waarom we uit
ons andere huis zijn gegaan, en wil ze ons daarmee hier nu ook weg pesten.
Ooh, ik hoop het niet, ik heb zo gehoopt dat we weer overnieuw kunnen beginnen.
We moeten het nu al met een zoon minder doen, ik mis 'm zo, ik wou dat
het nooit zo ver gekomen was dat we het nu zonder hem moeten doen, maar
ja, zo'n proces draai je nu eenmaal niet zomaar terug.
Ik denk dat ik binnenkort maar eens met haar ga praten, dan kan ik
meteen haar ouders ontmoeten, wie weet worden we de beste vrienden. Vanmiddag
maar. Het is nu... vijf minuten over twaalf, en het is zondag, dus zullen
ze nu wel thuis zijn. Waar is m'n tasje? Aah, daar...
Net op het moment dat ik m'n jas wil aantrekken hoor ik de voordeur
van onze buren, ik vind het deze keer niet erg om bekeken te worden, want
misschien kan ik er op die manier voor zorgen dat ze even binnen komt.
Net vijf minuten geleden was ik klaar met het strijken van de was, m'n
moeder heeft last van haar rug, dus doe ik dat meestal voor haar, ik vind
het best wel leuk om te doen, lekker muziekje erbij, dat gaat het vanzelf.
Vroeger kon ik het nooit, kreeg ik altijd brandvlekken, of alleen maar
meer kreukels, maar sinds die droom...
In ieder geval was ik dus net vijf minuten klaar, toen mijn moeder
vroeg of ik nog iets wilde doen, nu moet je weten dat ik heel erg veel
van mijn moeder hou, dus doe ik graag iets voor haar. Ze vroeg of ik even
een postzegel wilde gaan halen uit de muur bij het postkantoor. Dus trok
ik m'n jas aan en ging ik naar buiten, heerlijk vind ik dat. De deur zwiepte
ik dicht met een grote knal. Vroeger liep ik altijd heel snel als ik ergens
heen wilde, maar de laatste tijd begin ik altijd langzaam, omdat ik dan
langs de Drielings moet, en daar snel voorbij lopen vind ik zonde want
hoe langzamer ik loop hoe meer ik zie, en hoe meer ik over ze te weten
kom. Net als altijd loop ik in slow-motion richting het huis, maar al van
veraf zie ik dat het deze keer anders is dan anders. Ik zie een schim bewegen
in de kamer. Mijn hart begint te kloppen, misschien is dit de doorbraak,
misschien is Pa Drieling vandaag niet voorbereid op mijn "langskomst".
Nee dat is het niet... het is Ma Drieling... ze beweegt spastisch heen
en weer. Wat doet ze toch... het lijkt wel, het lijkt wel een of andere
spirituele dans, ze houdt een lange dikke stok vast die ze over de grond
heen schraapt. Waarom zijn die ramen toch zo vuil, ik zie er niets van...
Ondertussen sta ik recht voor het raam, ik wil langzaam doorlopen,
maar dan zie ik dat ze voorzichtig de stok weglegt. Dit moet ik zien...wat
doet ze nu...ooh jee, ze heeft me gezien. Ze loopt richting het raam...
Nee maar, ze wenkt me. Ik weet zeker dat ik niet naar binnen ga. Ik weet
toch niets te zeggen, en als ik er al aan denk om haar aan te kijken. De
zweetdruppels lopen nu al langs m'n wangen.
Ze wenkt nog een keer.
Waarom komt ze nu toch niet, altijd is ze nieuwsgierig, en nu... nu
staat ze daar maar ze staart me aan of ik een of andere maniak ben. Dan
weet ze het waarschijnlijk toch, reden te meer om met haar te praten. Ik
loop naar het raam, doe dat open en vraag haar vriendelijk of ze binnen
wil komen. "We zijn immers buren", zeg ik.
Dan stamelt ze iets over postzegels.
Ja ja, we zijn buren, waarom kwam je daar een paar maanden geleden niet
mee. Ik probeer snel een antwoord te vinden, maar kan zo snel niets verzinnen,
om niet te liegen zeg ik maar dat ik postzegels ga halen. Ik merk dat ik
niet uit mijn woorden kan komen, ze staart me ook zo aan, net of ze me
eng vindt. Ik hap naar lucht.
"Ik heb nog wel een postzegel voor je, de automaat is nog minstens een
kwartier lopen", zeg ik op m'n vriendelijkst. Ik moet haar duidelijk maken
dat ze geen enge ideeën over rest van de familie hoeft te hebben,
ook al hebben we dan iets vreselijks doorstaan.
Op dat moment wordt mijn nieuwsgierigheid mijn angst, en met nog steeds
bevende armen en benen loop ik richting de deur. Ze opent de deur voor
me en ze stelt zich voor. Ze zegt dat ze Marion Drieling heet, maar ik
weet natuurlijk dat ze dat liegt. Marion, hoe verzint ze het. Als ik de
kamer in kom zie ik ook alleen maar leugens, de hele kamer is een grote
fake. Ik zie dat ze de schrapende stok heeft veranderd in, een stofzuiger,
hoe toepasselijk, vooral in zo'n smerig huis. Maar ze heeft het goed gedaan,
want na een grondige, maar wel onopvallende inspectie, kan ik geen foutje
aan het ding ontdekken. Verder zie ik dat ze er zelfs aan gedacht heeft
de vloer van stof te ontdoen. Heel slim, zo heb ik niets door, denkt ze.
Ik ga voorzichtig zitten in de stoel die ze me aanwijst. Ik vraag me af
wat die stoel in werkelijkheid is, of zou het een echte zijn?
Ik krijg een kopje thee, het ziet er lekker uit, warm. Het ruikt ook
normaal, maar ik weet wel beter, ik raak die thee niet aan.
Dan begint ze te praten, over haar zoon en dat ze overnieuw wil beginnen,
allemaal leugens. Dat zal ik haar zeggen ook.
Ik weet niet wat ik met haar aan moet, ze is nog zo jong, en ze lijkt
zo bang, en toch zelfverzekerd. Voor ik het weet vertel ik haar alles.
Ik vertel over Jurgen, mijn oudste zoon. Dat hij in de gevangenis zit voor
drugsverkoop en -gebruik, dat ik hem verschrikkelijk mis, en dat het eigenlijk
een goede jongen was. Ook zeg ik dat Marie-Louise, mijn dochtertje, er
erg onder lijdt. Ze was namelijk erg op Jurgen gesteld.
Terwijl ik mijn verhaal vertel, wat me moeilijk af gaat, want het ligt
me allemaal nog zo vers in mijn geheugen, zie ik haar houding veranderen.
Zo angstig als ze in het begin was, zo vijandig ziet ze er nu uit. Op het
moment dat ik over Louise begin slaat ze door. Ze begint te kijken of ik
lieg dat ik barst, ze springt op uit haar stoel, fel vloekend schreeuwt
ze dat ze me wel door heeft. Dat ze eerst dacht dat het mijn schuld niet
was, en dat ik er weinig mee te maken had, maar dat ze nu wel beter weet.
Ze gooit er van alles uit, en ik vraag me af of ze zelf snapt waar ze het
over heeft. Ik heb geen idee hoe ik haar moet kalmeren, het maakt niet
uit wat ik zeg, steeds gelooft ze me niet.
Ze noemt me Chantal, waarom weet ik niet, verder gaat ze maar door
over Patricia die eigenlijk Patrick is, en hoe ik (Chantal dus!?) mijn
man, die ze trouwens Jan noemt (waar haalt ze het vandaan?), Pierre en
Paulo allemaal in het komplot zitten. Ik vraag me af waar ze het over heeft,
en wie al die mensen zijn. Ik vraag het haar, ze zwijgt, eindelijk. Resoluut
loopt ze de deur uit.
"Leugens, allemaal leugens!"
Jelleke
Nekkers
|