|
Jan
Hagel
Voorouderverering
Geen requiem van Berlioz, geen Dante
en geen
donder van Aeschylus, eschatologie,
stuwmeer-
poëzie of Jeff Koons waren
giften voor zijn
reis door de piranha-Styx naar het
museum
van fossiele knekels, de hemel van
de aarde.
Zijn handen waren afwisselend gelakt
en geteerd
door het klinken van duigen. Een
foto - lang
voor camera's herinnering stalen
- sierlijk
in grijs-grauw als echt geëtste
werkelijkheid,
toont hem jong karakteristiek: schamperende
ogen.
Ik heb de foto niet, herinner me
slechts de vonk
die zijn leven lang van de reis
terug verhaalde. 'Naar
de vogels, of naar de haaien', lachte
en sneerde
hij voordat hij grommend krom rochelend
sjokkend, elk
jaar uit en te na verklaard, naar
zijn volières kroop.
Toen was hij worstelend kapitein
van averij. Op zijn
armen woekerde de schimmel van eczeem,
op zijn schenen
nog meer. Zijn longen waren stenen
waaruit weeën
sloten slijk stuwden. Hij sprak
nooit van die Duits-
Franse jaren, dwangarbeid en slapen
op natte stro.
Nu is hij zeker van de aarde, die
niets aan vlees
dat ze om losse knekels weeft, dertien
jaar lang
zielloos gedoogt. Misschien wèl
als precieze, kleine
giften naast zijn handen liggen:
een duig, eieren uit
een kanarienest, rookworst en mosterd,
zijn schrapzaag,
de nagel die ik al zo lang voor
zijn doodskist bewaar.
Opium
Aan de bridgetafel,
gebogen over de stukken
van het schaakbord
zat Strindberg als
de dood; althans
Tjalling leek op hem;
hield veel van Astrud Gilberto,
van jeugdfoto's meer dan
van haar stem; zijn vrouw
had eens op haar geleken.
Nu praatte hij over Vietnam,
hun vakantie; hij was geen toerist,
was avonturier,
vond publiek geheime papavervelden,
had meegemaakt, had meegemaakt.
Foto's, nee foto's vertelden avonturen
zeker niet en het trekje dat hij
nam,
hij nam een trekje aarde en de wereld
kwam
als compote direct voort uit een
schepping;
raaf en slang bouwden een web van
bruggen
in de tempels van Vietnam.
Zei hij: "We weten de dingen maar
half echt."
Een zet met een loper, die avond
test hij zijn lopers
- we schaken eens per maand. Een
week later kom
ik kijken hoe hij bridge speelt,
zegt hij:
"Volgend jaar Thailand. Waarom gaan
jij en Fleurtje
niet mee?"
Woestijndroom (of:
Tussen twee spiegels)
Zand in mijn ogen tot aan de horizon
en ik struikel bij een man die met
oude
handen over fata morgana vertelt,
hoe
die altijd opstijgt uit de verre
rand van
dit uur, in zijn droogte echt en
vals.
Pavanes lopen over me heen als termieten
en de man is weg, staat nu op een
heuvel,
net een wolf met de vleugels van
een raaf,
blakerbrandend tegen de uitgeklede
zon,
die helix zich schroevend in mijn
blik.
Op de uitkijk ga ik kruipend waar
droog
gebleekte knekels gaan en schep
tegen dorst
mijn gekloven mond vol warm zand
uit de hand
van een vrouw èn vanonder
een parasol zegt ze
dat dit uur, droog of nat, even
vals als echt is.
Sarabandes kruipen om me heen als
torren
en de vrouw is weg, zweeft nu door
een kuil,
ze is net een vos vlinderachtig,
als losse dag
onder witterattenwolken, die stuivend
omwentelen in mijn kalkgrot centrifuge.
Tussen twee spiegels herhaalt de
woestijn
woestijn. Plus fata morgana, morgende
fata
en waar ik ben, ben ik zijdedood
met nog wat
nagelaten vlees
en waar ik ben is wind schuurpapier.
Jan
Hagel
|