|
Frieda
Snel
Oud gedicht
De kerst voorbij, het nieuwe jaar
maar pas begonnen, de dagen drijven
als schuimrest op een vettig afwassop,
een schrale echo van het oudste
zeer.
Hoe jong zijn we nog en hoe lang
nu
de dagen voorzichtig gaan lengen
en wij hier, zo oud als wij zijn,
zien
hoe genadeloos afwezig wij zijn.
Zacht zouden nu de wolken ruiken
van de bui die ons niet liet verdrogen,
dorstig zouden wij zijn als een
sterke
ijzel ons hier staande hield.
Wie niet alleen is, moet dat willen
blijven.
Wie weg moet, schiet daar nu niet
mee op.
Vraag
Heb ik nog kinderen, een moeder
die mij straks verwacht, een afspraak
of een uitspraak die ik dacht?
Ik dacht dat het voorbij was, zoals
het kwam, zoals in de mijnen het
water,
het reukloze gas dat er voor weduwen
was.
Zoveel later ben ik wel iets van
mijzelf,
zo bezet, zo deerlijk parallel als
het
jaagpad en het kanaal, de hoge
en de lage stoep, kinderkabaal.
Er is een stroom waardoor ik klink,
spanning waarvan ik heilloos drink,
een spel waarin ik neem en geef.
Wat is het bitterste wat ik verloor?
Puimsteen geheugen dekt het graf.
Frieda
Snel
|